
De oefeningen met dit idee zijn dezelfde als die voor de eerste. Begin met de dingen die dichtbij jou zijn, en pas het idee toe op alles waar jouw blik op valt. Breid dan de reikwijdte uit. Draai jouw hoofd zo, dat jij insluit wat aan weerskanten is. Draai je indien mogelijk om en pas het idee toe op wat achter jou was. Blijf zo willekeurig als mogelijk bij het selecteren van onderwerpen voor deze toepassing, concentreer je niet op iets in het bijzonder, en probeer niet alles wat jij op een plek ziet op te nemen, of jij zult spanning oproepen.
Kijk slechts moeiteloos en tamelijk snel om je heen, trachtend selectie naar grootte, helderheid, kleur, materiaal of betrekkelijk belang voor jou te vermijden. Neem de voorwerpen simpelweg zoals jij ze ziet. Probeer de oefening met gelijk gemak toe te passen op een lichaam of een knoop, een vlieg of een vloer, een arm of een appel. Het enige criterium voor de toepassing van het idee op iets, is louter dat jouw oog erop is gevallen. Doe geen poging iets in het bijzonder te includeren, maar zorg ervoor dat niets specifiek wordt uitgesloten.